Standpunt NUV over positie zzp'ers en freelancers

Publicatiedatum: 15 februari 2010

Op verzoek van het kabinet komt de SER dit voorjaar met een advies over de positie van zelfstandig ondernemers. Het advies betreft vooral zelfstandigen zonder personeel (zzp’ers). Het kabinet heeft om dit advies gevraagd vanwege de toename van het aantal zzp’ers en de mogelijke sociaal-economische consequenties daarvan.

Uitgevers werken veelvuldig met medewerkers die niet in loondienst zijn. Naar schatting gaat het in de uitgeefsector om zo’n 50.000 personen, meestal auteurs en redactiemedewerkers, zoals schrijvers, fotografen, vertalers, columnisten en illustratoren. Niet al deze medewerkers zijn werkzaam als zelfstandig ondernemer, een groot deel oefent de werkzaamheden als auteur of redactiemedewerker uit als nevenactiviteit.

Omdat de uitgeefsector opdrachtgever is van een groot aantal freelancers kan het SER-advies consequenties hebben voor de sector. Vandaar dat het NUV zich als vertegenwoordiger van 90 procent van de Nederlandse uitgeefsector bij de SER heeft aangemeld als belanghebbende, met het verzoek betrokken te worden bij de totstandkoming van het advies. De Commissie Positie Zelfstandig Ondernemers van de SER heeft hierop positief gereageerd. Het NUV heeft op verzoek van deze commissie op 10 februari 2010 aan een hoorzitting deelgenomen. Daar is het volgende standpunt uiteengezet:

Aandacht voor alle freelancers, niet alleen zzp’ers

De administratieve en juridische verplichtingen die opdrachtgevers moeten naleven bij het inzetten van freelancers – en de risico’s bij niet of onjuist naleven van die verplichtingen – gelden zowel voor zelfstandig ondernemers als voor die andere groep. Vandaar dat het NUV graag zou zien dat het SER-advies aandacht besteedt aan alle niet-werknemers.
Knelpunten:
Uit de evaluatie van het convenant Eigen Verklaring is gebleken dat uitgevers in de huidige situatie twee belangrijke knelpunten ervaren die hieronder achtereenvolgens worden toegelicht:

  1. Gebrek aan duidelijkheid vooraf
  2. Onevenredig zware administratieve lasten

1. Gebrek aan duidelijkheid vooraf

Omdat de rechtspositie van freelancers niet wettelijk is vastgelegd, is deze afhankelijk van alle omstandigheden van elk individueel geval. De opdrachtgever moet een afweging maken. Op de rechtspositie van ondernemer en werknemer kunnen diverse wetten en regels van toepassing zijn. Van opdrachtgevers wordt verlangd dat zij hiervan goed op de hoogte zijn en blijven en dat zij de wetten goed interpreteren en toepassen. Vooral voor MKB’ers is dit een zware opgave. Gespecialiseerd advies is moeilijk te vinden (zelfs bij instanties als de Belastingdienst) en bovendien kostbaar. Het NUV heeft daarom voor de leden een publicatie uitgegeven met de titel .

Bovendien worden in de diverse toepasselijke wetten en regels uiteenlopende definities gehanteerd voor de begrippen werknemer en ondernemer, die niet goed op elkaar aansluiten. Gevolg kan bijvoorbeeld zijn dat een freelancer volgens fiscale wetgeving als ondernemer wordt aangemerkt, maar dat hij bij inkomensverlies vanwege beëindiging van zijn opdrachten of ziekte toch met succes een beroep kan doen op ontslagbescherming, respectievelijk doorbetaling bij ziekte. Toepasselijkheid van het BBA betekent overigens ook toepasselijkheid van het Ontslagbesluit waarin de ontslagvolgorde is vastgelegd. Hierdoor kan het theoretisch zelfs voorkomen dat een freelancer zijn opdrachten behoudt ten koste van een werknemer die het veld moet ruimen. Van die freelancer mag vervolgens niet worden verlangd dat hij bepaalde, misschien minder aantrekkelijke opdrachten accepteert die een werknemer vanwege de gezagsrelatie tussen hem en zijn werkgever wel zou moeten uitvoeren. Voor uitgevers is het onbegrijpelijk dat een keuze om werkzaamheden niet in loondienst te verrichten niet een keuze voor afstand van werknemersbescherming betekent, maar dat het ondernemersrisico van freelancers voor een deel kan worden afgewenteld op opdrachtgevers. NB Schijnzelfstandigheid komt in de uitgeefsector niet of nauwelijks voor, zo blijkt uit recent onderzoek van EIM.

Voorts hebben uitgevers vaak moeite de normen in de verschillende wetten en regels correct te interpreteren. Nog altijd leeft het hardnekkige misverstand dat het hebben van een VAR de opdrachtgever vrijwaart van elke mogelijke claim. Gezien de vormgeving van dit document is het ook niet verrassend dat opdrachtgevers er moeite mee hebben; de voor opdrachtgevers relevante informatie is verborgen tussen de – overigens niet eenvoudig leesbare – informatie die is bestemd voor de freelancer. Daarnaast blijken de op het eerste gezicht objectieve normen die zijn vastgelegd in de diverse wet- en regelgeving in de praktijk toch veel vragen op te roepen. Wanneer is bijvoorbeeld sprake van ‘doorgaans op twee dagen per week, (Rariteiten KB) of van ‘bijkomstige arbeid’ (Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen)? Hoe kan een opdrachtgever inzicht krijgen in het werkelijke aantal opdrachtgevers dat een freelancer in totaal heeft (i.v.m. toepasselijkheid van ontslagbescherming op grond van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen)?

Kortom: de wetten en regels sluiten niet alleen slecht op elkaar aan, ook toepassing van alle wet- en regelgeving afzonderlijk levert voor opdrachtgevers veel problemen en onzekerheden op. Looncontroles vinden gemiddeld slechts eens per vijf jaar plaats, zodat ook tijdige correctie door de fiscus ten aanzien van beoordeling van de inhoudingsplicht loonheffingen niet aan de orde is. Met andere woorden: de ondernemer die fout zit wordt niet bijgestuurd en de risico’s blijven oplopen. Uitgevers reserveren dan ook aanzienlijke bedragen om eventuele toekomstige naheffingen financieel te kunnen dragen, met alle gevolgen voor hun liquiditeitspositie van dien.

Tot slot zijn de normen in de verschillende wetten en regels niet altijd toegesneden op de manier van werken van freelancers in de uitgeefsector. Een norm als ‘doorgaans werkzaam op twee dagen per week’ (Rariteitenbesluit) is voor de opdrachtgever bijvoorbeeld onmogelijk te beoordelen wanneer de freelancer – zoals zeer gebruikelijk – niet werkzaam is op de redactie. Hooguit vermeldt zo’n freelancer op zijn factuur het aantal gewerkte uren, maar daarmee is nog niet duidelijk wanneer hij precies heeft gewerkt en of dit dus op twee dagen per week is geweest. Nog moeilijker wordt het wanneer de freelancer een opdracht heeft gekregen tegen stukprijs (een fotoserie, column, artikel). Voor de opdrachtgever is het arbeidspatroon niet relevant; zolang de verwachte kwaliteit wordt geleverd binnen de gestelde deadline is dit meer dan voldoende. Zou de opdrachtgever in deze gevallen, om te kunnen voldoen aan de vraag naar het arbeidspatroon, aan de freelancer vragen naar dit arbeidspatroon, dan zou de fiscus hierin overigens een argument kunnen vinden voor het aannemen van een gezagsrelatie en daarmee een privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst.  Het aantal opdrachtgevers van de freelancer moet,  om zeker te zijn dat er geen sprake is van ontslagbescherming van het BBA, ten minste vier zijn. Het is onduidelijk hoe de opdrachtgever het aantal opdrachtgevers moet achterhalen. Zeker als een freelancer niet op de redactie werkt en de werkuren niet bekend zijn is het aantal andere opdrachtgevers niet in te schatten aan de hand van de tijdbesteding voor een opdrachtgever. Een schriftelijke verklaring zou altijd een momentopname zijn, die elke dag kan veranderen.

2. Onevenredig zware administratieve lasten 

Ondanks het convenant Eigen Verklaring dat het NUV in 2008 heeft gesloten met de Belastingdienst en het UWV besteden uitgevers jaarlijks gemiddeld nog altijd 0,4 FTE aan de administratie en controle rondom het inzetten van freelancers. Dit blijkt uit de evaluatie van het convenant Eigen Verklaring die dit najaar heeft plaatsgevonden.

Niet alleen moet de opdrachtgever aan elke freelancer, ook degenen die heel hele kleine opdrachten van een paar honderd euro uitvoeren, nog altijd een legitimatiebewijs vragen en het BSN registreren. Uitgevers moeten bij een looncontrole ook nog altijd kunnen aantonen dat zij alle stappen in het convenant correct hebben doorlopen. Dat betekent in de praktijk: jaarlijks beoordelen wie naar verwachting de inkomensgrens van 7.200 euro zal overschrijden, brieven uitsturen aan freelancers met een verzoek om een nieuwe VAR en/of Eigen Verklaring, afwachten of deze retour komen, rappelleren, discussiëren met freelancers, vragen beantwoorden enzovoort. De binnengekomen formulieren moeten vervolgens binnen de uitgeverij worden verwerkt: de opdrachtgever moet bijvoorbeeld vaststellen om welk type VAR het gaat, of deze nog geldig is en of de VAR wel is afgegeven voor de juiste werkzaamheden.

De omschrijving van werkzaamheden op de afgegeven VAR blijkt voorts soms niet geheel aan te sluiten bij de werkzaamheden voor de opdrachtgever, waardoor de freelancer alsnog de juiste VAR moet aanvragen met de juiste omschrijving, met alle vertraging van dien. Het is het NUV onduidelijk welk doel ermee wordt gediend dat de VAR een omschrijving moet bevatten van de werkzaamheden die de freelancer verricht of voorspelt te gaan verrichten. Een ondernemer is ondernemend en het is daarom zeer denkbaar dat hij zijn activiteiten uitbreidt gedurende de geldigheidsduur van zijn VAR.

Het bijwerken van de freelance administratie vormt daardoor jaarlijks nog altijd een behoorlijk zware belasting op de betreffende afdelingen van uitgeverijen (meestal de financiële administratie of HR) die moeten zorgen dat zij alle benodigde formulieren toegezonden krijgen.

Deze administratieve last leidt uiteindelijk tot slechts 1,2 procent fictieve dienstbetrekkingen (verplichte inhouding van loonheffingen). Dit zeer geringe percentage duidt op een buitenproportioneel zware (en kostbare) administratieve last voor de uitgeefsector. Zouden uitgevers echter besluiten om de administratieve verplichtingen rondom het inzetten van freelancers niet langer na te leven, dan zal de fiscus bij de eerstvolgende looncontrole naheffingen opleggen, vermeerderd met een boete wegens (ernstige) verwijtbaarheid van de opdrachtgever, en dat met terugwerkende kracht van vijf jaar. Dit zeer kostbare risico noodzaakt uitgevers om de verplichtingen uit het convenant te blijven naleven en daarvoor kosten te blijven maken.

Oplossingen

 

Meer duidelijkheid vooraf

Voor uitgevers is het essentieel dat er vooraf, bij het verstrekken van de opdracht, meer duidelijkheid komt over de status van freelancers en zzp’ers. Ideaal zou zijn dat de werkende zelf een keuze kan en moet maken voor de invulling van zijn werkend bestaan. Wie ervoor kiest zijn werkend bestaan niet in loondienst als werknemer door te brengen doet dan bewust afstand van de daarbij behorende rechten en verplichtingen die horen bij het werknemerschap. De keuze voor een bestaan als zelfstandige zou moeten betekenen de keuze voor de lusten en de lasten van het ondernemerschap én de keuze voor afstand van elke vorm van werknemersbescherming. Dat betekent onder meer dat het ondernemersrisico van onvoldoende opdrachten niet langer met een beroep op ontslagbescherming op grond van het BBA afgewenteld zou kunnen worden op de (overgbleven) opdrachtgevers of op het UWV met een beroep op WW, maar dat van zelfstandigen wordt verwacht dat zij zelf een financiële buffer opbouwen voor dit soort situaties.

De keuze van de freelancer moet ook gelden voor instanties als de Belastingdienst en het UWV, die nu nog met een ander oordeel kunnen komen over de status van een freelancer dan de opdrachtgever en freelancer zelf. Het begrip ondernemer en werknemer zou dan ook gelijkelijk ingevuld moeten worden in diverse toepasselijke wet- en regelgeving en de daarin gehanteerde criteria daarin zouden op zijn minst veel beter op elkaar moeten aansluiten.

Minder administratieve lasten

Een zeer effectieve maatregel die de administratieve lasten rondom werken met freelance auteurs en redactiemedewerkers in vergaande mate terug zou dringen werd reeds geopperd in de brief d.d. 29 april 2009 aan de Tweede Kamer van staatssecretaris De Jager en minister Donner over het project Vereenvoudiging fiscale arbeidsrelaties. In die brief wordt als optie voor het vereenvoudigen van de fiscale arbeidsrelaties het afschaffen van overbodige fictieve dienstbetrekkingen genoemd, bijvoorbeeld als de fictiebepaling op een klein aantal belastingplichtigen van toepassing is of als deze niet meer wenselijk worden geacht. Volgens het NUV zouden auteurs en redactiemedewerkers aan de lijst met voorbeelden toegevoegd moeten worden, overigens zoals dit voor 1981 eveneens het geval was. Zeker nu uit het EIM- onderzoek Zelfstandigen zonder personeel is gebleken dat er in Nederland nauwelijks sprake is van freelancers tegen wil en dank én deze gevallen zich in andere sectoren voordoen, lijkt de tijd rijp om deze categorie wederom uit te zonderen van elke vorm van een dienstverband.

Afschaffen van het fictieve dienstverband voor auteurs en redactiemedewerkers is een maatregel die wel in onderlinge samenhang met andere wet- en regelgeving zou moeten worden bezien, om te voorkomen dat deze meer schade aanricht dan voordeel oplevert. Zo kan het wegvallen van de verplichte bescherming van de werknemersverzekeringen er bijvoorbeeld toe leiden dat freelancers bij inkomensverlies wegens ziekte, arbeidsongeschiktheid of verlies van opdrachten in toenemende mate een beroep gaan doen op de opdrachtgever, die dan als werkgever wordt aangesproken. Bovendien bestaat de kans dat de fiscus vaker gaat oordelen dat de arbeidsrelatie feitelijk een civielrechtelijke arbeidsovereenkomst is, zodat er op die grond alsnog naheffingen en boetes opgelegd kunnen worden. Met deze schadelijke neveneffecten zal rekening gehouden moeten worden.

De wet- en regelgeving ten aanzien de particuliere verzekeringsmarkt zou wellicht een rol kunnen spelen bij het opvangen van de financiële risico’s van freelancers. De particuliere verzekeringsmarkt heeft momenteel overigens veel aandacht voor de groeiende groep zzp’ers en het is zeer wel denkbaar dat op korte termijn een uitgebreid pakket betaalbare verzekeringsproducten beschikbaar zal zijn. Het NUV onderzoekt op dit moment met verzekeraars in hoeverre op welke wijze de freelancers in de uitgeefsector als collectief beschouwd kunnen worden en welke voordelen dit collectief zou kunnen genieten. Een verplichte verzekering voor freelancers of zzp’ers tegen ziekte, werkloosheid en arbeidsongeschiktheid ziet het NUV vooralsnog niet als oplossing.

Afschaffen van het fictieve dienstverband voor freelance auteurs en redactiemedewerkers zou de meest effectieve maatregel zijn. Mocht dit echter onverhoopt niet haalbaar blijken, dan is een andere mogelijkheid tot verlichting van de administratieve last het afgeven van een VAR voor meerdere jaren (tot tegenbericht van de freelancers) of het inrichten van een centraal VAR-register, waarin opdrachtgevers kunnen opzoeken of de freelancer die zij willen inhuren over een geldige VAR beschikt en zo ja, welk van de vier typen en voor welke werkzaamheden. Aan de wens van zzp’ers om hun VAR online te kunnen aanvragen is inmiddels gehoor gegeven, nu is hopelijk de tijd gekomen dat opdrachtgevers de VAR van hun opdrachtnemer online kunnen opvragen.

De VAR zou ook anders vormgegeven kunnen worden, zodanig dat de voor opdrachtgevers relevante informatie bij elkaar wordt weergegeven, met een begrijpelijke toelichting die is gericht tot opdrachtgevers. Het NUV heeft dummy’s van de VAR-wuo en VAR-dga voor de leden voorzien van aanwijzingen, zodat zij in één oogopslag zien waar zij op moeten letten. Starters zouden direct bij hun inschrijving in het handelsregister op de hoogte gebracht moeten worden van dit VAR-register met een dringend advies tot inschrijving, zodat het aanvragen van de VAR een standaard handeling wordt voor (startende) ondernemers. Dit voorkomt vertragingen en onterecht inhouden van loonheffingen.

De extra administratie en vertraging die ontstaat bij een VAR met de verkeerde omschrijving is volgens het NUV niet nodig. Welk doel wordt gediend is niet helder en met die omschrijving zou veel flexibeler omgegaan kunnen worden; het zou niet nodig moeten zijn dat voor diverse activiteiten die vanuit een onderneming worden verricht steeds een nieuwe VAR nodig is, waarop door zowel freelancer als opdrachtgever weer gewacht moet worden met alle vertraging van dien.

Tot slot zou het vervallen van de legitimatieplicht en de IB47-opgave voor freelancers met kleine of incidentele opdrachten een enorme administratieve lastenverlichting met zich meebrengen.

Onderwerpen
    sluiten