Portretrecht: HR wijst arrest in Cruijff/Tirion

Vorig artikel Volgend artikel
26-06-2013

De Hoge Raad heeft op 14 juni 2013, tien jaar na publicatie van het fotoboek over Johan Cruijff met de titel ‘de Ajacied’ door uitgeverij Tirion, uitspraak gedaan over de vraag of het portretrecht van Cruijff is geschonden door plaatsing van foto’s van hem in het fotoboek (voor alle duidelijkheid: Cruijff had daaraan geen medewerking verleend).

De HR is van oordeel dat van zo’n schending geen sprake is. Hiermee wordt het eerdere oordeel van rechtbank en Hof bevestigd. Hoewel wordt erkend dat Cruijff een verzilverbare populariteit heeft, betekent dat niet dat hij daarmee ook een absoluut verbodsrecht en een exclusief exploitatierecht heeft die zich tegen ieder gebruik van foto’s van Cruijff zouden verzetten. Volgens Cruijff was dat wel het geval, maar de HR volgt hem niet daarin:

‘Ten aanzien van personen die door hun beroepsuitoefening bekendheid genieten, geldt evenwel dat de openbaarmaking van foto’s die deze beroepsuitoefening betreffen en zijn gemaakt in voor het algemeen publiek toegankelijke plaatsen, tot op zekere hoogte inherent is aan hun beroepsuitoefening en de daarmee gemoeide bekendheid en belangstelling van het publiek. Indien de openbaarmaking de beroepsuitoefening van een daardoor bekende geportretteerde betreft, komt derhalve in de regel groot gewicht toe aan factoren als algemene nieuwswaarde en informatie aan het publiek in verhouding tot diens enkele verzet tegen openbaarmaking.’

Wel wordt erkend dat Cruijff vanwege zijn verzilverbare populariteit aanspraak had kunnen maken op een redelijke vergoeding. De uitgever heeft destijds ook een vergoeding aangeboden, maar die heeft Cruijff niet geaccepteerd.

Het kan zijn dat het gebruik van de foto’s desondanks toch onrechtmatig is. De HR zegt hierover: ‘Indien vaststaat of onbetwist is dat een redelijke vergoeding is aangeboden (en bescherming van privacybelangen niet aan de orde is), zullen in beginsel bijkomende omstandigheden nodig zijn voor het oordeel dat openbaarmaking jegens de geportretteerde onrechtmatig is. Deze omstandigheden zullen door de geportretteerde gemotiveerd gesteld dienen te worden. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de situatie dat de publicatie afbreuk doet aan of schadelijk is voor de wijze waarop de geportretteerde zijn bekendheid wenst te exploiteren.’ Volgens de HR was dat in deze zaak niet aan de orde en werd het cassatieberoep van Cruijff verworpen. De HR vindt het belang van artikel 10 EVRM, vrijheid van meningsuiting, zwaarder wegen dan het redelijk belang dat Cruijff zou hebben bij een verbod op publicatie van de foto’s op basis van artikel 21 Aw en artikel 8 EVRM.

Zie de hele tekst van het arrest.

Onderwerpen
    sluiten